Categorie: Geen categorie


Normaliter is de gangbare praktijk dat de uitkeringen vanuit een stamrechtvoorziening vallen binnen de huwelijksgemeenschap indien de uitkeringen zijn gestart voorafgaand aan de beëindiging van het huwelijk. Zijn de uitkeringen niet gestart, dan valt het stamrechtkapitaal buiten het huwelijk.

In de casus die is voorgelegd aan de Hoge Raad speelt het volgende. Man en de vrouw zijn met elkaar in 1974 gehuwd in algemene gemeenschap van goederen. Op 25 maart 2005 dient de vrouw bij de rechtbank het verzoek in om te scheiden van haar man. In 2007 wordt de man ontslagen en krijgt hij recht op een ontslagvergoeding van circa€ 282.000,- bruto. Dit bedrag wordt ondergebracht in de stamrecht-bv van de man, waarvan de man enig aandeelhouder en bestuurder is; diens aandelen vallen in de huwelijksgoederengemeenschap. Op grond van de stamrechtovereenkomst maakt de man aanspraak op periodieke uitkeringen die strekken tot vervanging van inkomsten.

In 2013 verzoekt de vrouw een echtscheiding en daarbij de verdeling van de goederengemeenschap. Er ontstaat tussen partijen een discussie over de vraag of de ontslagvergoeding, zoals deze is ondergebracht in de stamrecht BV, onderdeel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap. Volgens de vrouw is dat het geval; volgens de man is dit niet het geval en zijn de aanspraken op periodieke uitkeringen op een bijzondere wijze aan uitsluitend hem verkocht (art. 1:94 lid 3 BW) en vallen zij hierdoor buiten de gemeenschap.

De rechtbank heeft het stamrecht kapitaal geheel aan de man toebedeeld. Het hof heeft dat eveneens gedaan omdat enkel de gelden die vóór ontbinding van het huwelijk zijn uitgekeerd in de huwelijksgemeenschap vallen en de man tot dat moment nog geen periodieke uitkering had ontvangen. De vrouw is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.

In cassatie klaagt de vrouw over het oordeel van het hof dat de gelden die eerst tot uitkering komen na de ontbinding van de gemeenschap aan de man zijn verknocht en dat, nu vaststaat dat de man nog geen enkele periodieke uitkering uit de stamrecht-bv heeft ontvangen, zij daarop geen aanspraak kan maken.

De Hoge Raad acht – net zoals A-G Langemeijer – de klacht gegrond en stelt daartoe voorop dat uitgangspunt in cassatie is dat de beëindigingsvergoeding dient om toekomstig gederfd inkomen van de man te vervangen (rov. 3.3.2). Vervolgens beantwoordt de Hoge Raad de vraag of deze aanspraak van de man verknocht is als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW (rov. 3.3.3). In dat verband is vaste rechtspraak dat de verknochtheid van een goed afhangt van de aard van dat goed, waarbij maatschappelijke opvattingen van belang zijn.

Daarop verwijst de Hoge Raad naar een arrest uit 2008, waarin het ging om een ontslagvergoeding, waarvan het bedrag door de werkgever was gestort onder een verzekeringsmaatschappij (HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41). In die zaak werd geoordeeld dat uit een stamrechtverzekering voortvloeiende aanspraken van vóór de ontbinding in de huwelijksgemeenschap vallen en nadien ontstane aanspraken erbuiten. Deze later ontstane aanspraken strekken immers tot vervanging van het inkomen dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten en in dat geval zou de aanspraak op voor nog te verrichten arbeid te ontvangen loon evenmin in de gemeenschap zijn gevallen. De Hoge Raad overweegt voorts dat deze regel ook geldt wanneer een ontslagvergoeding is ingebracht in een – door de werknemer opgericht en beheerste – stamrecht-bv, ondanks dat de echtgenoot in dat geval zelf het tijdstip en de hoogte van de periodieke uitkeringen kan bepalen. De Hoge Raad acht de strekking van de uitkering (die gelijk is bij storting onder een verzekeringsmaatschappij als onder een stamrecht-bv) daartoe doorslaggevend.

Gelet op het voorgaande overweegt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte van belang heeft geacht dat de man nog geen enkele periodieke uitkering uit de stamrecht-bv had ontvangen (rov. 3.3.4). Het hof had daarentegen moeten onderzoeken in hoeverre de aanspraak van de man jegens de stamrecht-bv zag op de periode vóór of na ontbinding van het huwelijk.

De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Hof Amsterdam, waar deze vraag alsnog aan de orde zal worden gesteld.

De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de zaak behandeld van een gewezen werknemer vanwege de belastbaarheid van een aanvullende ontslagvergoeding. In 2013 heeft deze meneer een ontslagvergoeding ontvangen die onder de toenmalige stamrechtvrijstelling viel. In 2014 heeft hij tijdens een gerechtelijke procedure een aanvullende ontslagvergoeding toegewezen gekregen vanwege kennelijk onredelijk ontslag.

De vraag is of deze aanvullende ontslagvergoeding valt onder de stamrechtvrijstelling uit 2013 en dus ook onbelast verstrekt mocht worden. De rechtbank heeft beslist dat dit niet het geval is. De redenatie hiervoor is dat de aanvullende ontslagvergoeding na 1 januari 2014 is ontvangen, na afschaffing van de stamrechtvrijstelling. Er wordt geen koppeling gemaakt tussen de eerder, wel onbelaste vergoeding, gemaakt uit 2013.

De uitspraak leest u hier :

ECLI:NL:RBZWB:2016:3032, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, BRE – 15 _ 1165

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.Op 13 oktober 2014 heeft de ex-werkgeefster van belanghebbende, [A BV], gevestigd te [plaats X] (hierna: de ex-werkgeefster), een (aanvullende) ontslagvergoeding aan belanghebbende uitbetaald onder inhouding van loonheffing op basis van de tabel bijzondere beloningen.

1.2.Belanghebbende heeft bij brief van 30 oktober 2014 bezwaar gemaakt tegen de in 1.1 vermelde inhouding van loonheffing. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 januari 2015 de inhouding gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij fax van 27 februari 2015 beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend, welke telkens in afschrift zijn verstrekt aan de wederpartij.

1.6.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Maastricht, en namens de inspecteur, [verweerder].

1.7.De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift bij deze uitspraak is gevoegd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.De arbeidsovereenkomst tussen de ex-werkgeefster en belanghebbende is per [datum] 2013 formeel ontbonden, maar feitelijk per direct beëindigd op [datum] 2013. Belanghebbende heeft in mei 2013 een ontslagvergoeding ontvangen van € 154.955 bruto die met goedkeuring van de Belastingdienst met toepassing van de stamrechtvrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) en dus zonder inhouding van loonbelasting is gestort in [B BV] (hierna: de stamrecht-BV).

2.2.Het verzoek aan de inspecteur om te bevestigen dat de stamrechtvrijstelling van toepassing was op de ontslagvergoeding van € 154.955, is gedaan bij brief van 4 april 2013. De inspecteur heeft nadere informatie gevraagd die belanghebbende heeft verstrekt bij brief van 25 april 2013. In die brief heeft belanghebbende ook aan de inspecteur gemeld dat hij voornemens was om, nadat het bedrag van de ontslagvergoeding was uitbetaald, een procedure wegens kennelijk onredelijk ontslag tegen de ex-werkgeefster op te starten. In die procedure is bij vonnis van 21 augustus 2014 door kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant onder meer een aanvullende ontslagvergoeding toegekend van € 305.000 bruto (hierna ook: de aanvullende ontslagvergoeding). Belanghebbende heeft de inspecteur vervolgens bij brief van 28 augustus 2014 verzocht te bevestigen dat ook op dit bedrag de stamrechtvrijstelling van toepassing was, omdat de betaling voortvloeide uit het ontslag in 2013. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen. De ex-werkgeefster heeft de aanvullende ontslagvergoeding op 13 oktober 2014, onder inhouding van € 158.600 loonheffing, overgemaakt naar een bankrekening van de stamrecht‑BV.

2.3.De civiele kamer van Hof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 1 september 2015 de aanvullende ontslagvergoeding verminderd tot € 271.494,69.

3 Geschil

3.1.Tussen partijen is in geschil of terecht loonheffing is ingehouden bij de uitbetaling van de aanvullende ontslagvergoeding. Meer specifiek richt het geschil zich op de vraag of de stamrechtvrijstelling moet worden toegepast.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggaaf van € 158.600 aan loonheffing. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.Op grond van artikel 10 van de Wet LB is, voor zover van belang, loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking wordt genoten. Tot het loon behoren aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde één of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen. De stamrechtvrijstelling van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel g van de Wet LB, op grond waarvan, onder voorwaarden, aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon niet tot het loon behoorden, is vervallen per 1 januari 2014 (Belastingplan 2014, Stb. 2013, 565, artikel V, onderdeel B).

4.2.

Bij het vervallen van de stamrechtvrijstelling is in artikel 39f, eerste lid van de Wet LB de volgende overgangsregeling opgenomen (Belastingplan 2014, Stb. 2013, 565, artikel V, onderdeel I):

“Met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, zoals dat op 31 december 2013 luidde, blijven de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing.”

4.3.

In de Nota naar aanleiding van het verslag van 21 oktober 2013 bij het Belastingplan 2014 wordt over het begrip ‘bestaande aanspraken’ het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2013/14, 33752, nr. 11, p. 51):

“Voor de kwalificatie als een bestaande aanspraak is van belang of de aanspraak reeds op 31 december 2013 voldoende bepaald is en aan de wettelijke voorwaarden voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) voldoet. De datum waarop het ontslag plaatsvindt is derhalve niet de beslissende factor. In het algemeen zal pas worden overgegaan tot de toekenning van een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als het ontslag vaststaat. Op dat moment zal in beginsel ook de storting van de koopsom plaatsvinden.”

4.4.

In een brief van de staatssecretaris van Financiën van 8 november 2013 wordt het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2013/14, 33752, nr. 21, p. 4):

“Diverse leden hebben verzocht om de voorwaarden die ik in het wetgevingsoverleg genoemd heb voor de afbakening van een op 31 december 2013 bestaand stamrecht ook in een brief uiteen te zetten. Ten eerste is het essentieel dat de aard en omvang van de vrijgestelde stamrechtaanspraak op 31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar is. Dit betekent dat vóór 1 januari 2014 een stamrechtovereenkomst getekend dient te zijn. Hieruit moet blijken dat de ex-werkgeefster aan zijn werknemer een aanspraak toekent op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon. De periodieke uitkeringen mogen niet later ingaan dan in het jaar waarin de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Dit is conform de wettelijke regeling voor de stamrechtvrijstelling. Ten tweede dient uit die overeenkomst tevens te blijken dat het bedrag ter financiering van de aanspraak bij een in de wet aangewezen aanbieder wordt ondergebracht. En ten derde dient op 31 december 2013 de ontslagdatum vast te staan. Dit betekent niet dat de ontslagdatum in 2013 gelegen dient te zijn. Het ontslag moet wel aangezegd zijn vóór 1 januari 2014 en binnen een korte termijn uitgevoerd worden. Van een korte termijn is in ieder geval sprake als het gaat om de wettelijke opzegtermijn (met een maximum van 6 maanden). (…) Aanspraken die aan deze drie voorwaarden voldoen komen in aanmerking voor de toepassing van het overgangsrecht voor de stamrechtvrijstelling.”

4.5.

Voorts heeft de staatssecretaris van Financiën tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Belastingplan 2014 in de Eerste Kamer het volgende opgemerkt (Handelingen I 2013/14, 17 december 2013, nr. 14, item 2, p. 15):

“Voor het overgangsrecht is het ten eerste essentieel dat de aard en de omvang voor de vrijgestelde stamrechtaanspraak op 31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar zijn. Dus dat betekent dat de vaststellingsovereenkomst getekend moet zijn. Uit die vaststellingsovereenkomst moet blijken dat de ontslaguitkering aangewend wordt voor een stamrecht en dat de financiering van de aanspraak bij een in de wet aangewezen aanbieder wordt ondergebracht.”

4.6.De rechtbank zal eerst beoordelen of de aanvullende ontslagvergoeding is genoten in 2013 of in 2014. Indien de vergoeding is genoten in 2013, is niet in geschil dat de stamrechtvrijstelling kan worden toegepast. Artikel 13a Wet LB bepaalt dat loon wordt beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het (a) betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel (b) vorderbaar en tevens inbaar wordt. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de aanvullende ontslaguitkering geen genietingsmoment in 2013 aan te wijzen. Dat belanghebbende recht had op een aanvullende ontslagvergoeding en tot welk bedrag, is immers pas in 2014 bij rechterlijke uitspraak komen vast te staan.

4.7.Nu de stamrechtvrijstelling per 1 januari 2014 is afgeschaft, kan deze derhalve alleen nog worden toegepast op de aanvullende ontslagvergoeding indien de in 4.2 bedoelde overgangsregeling van toepassing is. Dat is het geval indien belanghebbende tot het bedrag van de aanvullende ontslagvergoeding op 31 december 2013 een aanspraak had op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon. Nu er op 31 december 2013 geen uitspraak was in de door belanghebbende bij de kantonrechter gestarte procedure tegen, noch overeenstemming met de ex-werkgeefster over de aanvullende ontslaguitkering, had belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank op die datum nog geen aanspraak op de aanvullende ontslagvergoeding en daarmee evenmin op periodieke uitkeringen ter vervanging daarvan.

4.8.Aan hetgeen in 4.7 is overwogen doet niet af dat belanghebbende in 2013 het voornemen tot het starten van een kennelijk onredelijke ontslagprocedure bekend had gemaakt, nu deze procedure pas daadwerkelijk is gestart op 24 februari 2014, de datum van de dagvaarding. Belanghebbende heeft in 2013 zelfs geen vordering bij de ex-werkgeefster neergelegd die zou kunnen resulteren in een periodieke uitkering. Aan hetgeen in 4.7 is overwogen doet evenmin af dat de door de civiele rechter van het Hof toegekende ontslagvergoeding (zie 2.2 en 2.3) is berekend op basis van gederfd en te derven loon en de hoogte daarvan dus in 2013 naar objectief recht bepaalbaar was. Dat kan niet tot de conclusie leiden dat op 31 december 2013 reeds een aanspraak als bedoeld in de overgangsregeling bestond. Uit de in 4.3 tot en met 4.5 weergegeven wetsgeschiedenis valt niet af te leiden dat de wetgever een ruimere uitleg van de overgangsregeling heeft beoogd dan uit de tekst voortvloeit.

4.9.Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat de stamrechtvrijstelling niet van toepassing is. Terecht is daarom op de uitkering van de aanvullende ontslagvergoeding loonheffing ingehouden.

4.10.Belanghebbende heeft voor dat geval betoogd dat sprake is van een onredelijke en onbillijke uitkomst, nu de aanvullende ontslagvergoeding voortvloeit uit het ontslag in 2013. Dat betoog kan hem niet baten. In artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, is voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen. Voorts kent de fiscale wetgeving geen bepaling zoals de civielrechtelijke wetgeving (artikel 6:2 BW) op grond waarvan een wettelijke regel buiten toepassing blijft voor zover toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Voor de door belanghebbende bepleite reflexwerking bestaat geen grondslag. De rechtbank is dan ook niet bevoegd een juiste wetstoepassing op grond van de redelijkheid en billijkheid achterwege te laten. Dat ligt anders indien de wet in strijd zou zijn met enig internationaal verdrag waaraan Nederland zich heeft verbonden, maar niet is gesteld noch is de rechtbank gebleken dat van dit laatste in het onderhavige geval sprake is.

4.11.Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 20 mei 2016 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. M.W.C. Soltysik, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A. Riemens, griffier.

actiebuttonDe rekening-courant of lening aan de dga van uw BV is een speerpunt in de jaarlijkse controle door de belastingdienst in 2016.

Heeft uw BV geld uitgeleend aan uzelf in de vorm van een hypotheek of onderhandse lening? Net als bij een bank dient de lening op enig moment terugbetaald te worden en dient de lening aan zakelijke voorwaarden te voldoen.

Wanneer is er dan sprake van onzakelijk handelen? Volgens de belastingdienst en vaste rechtspraak op dit punt is dit het geval indien de lening niet aan zakelijke voorwaarden voldoet en indien u zich niet aan de betalingsafspraken houdt.

De lening dient dus te voldoen aan zakelijke voorwaarden welke ook aan een derde gesteld zouden worden die in vergelijkbare omstandigheden verkeert. Wij raden u dan ook aan om deze voorwaarden vast te leggen in een leningovereenkomst. Op deze wijze kunt u hierdoor latere misverstanden voorkomen. Hieronder sommen wij een aantal zaken op waaraan getoetst dient te worden :

  • Is de lening schriftelijk vastgelegd in een leningsovereenkomst?
  • Hebt u met de BV afspraken gemaakt over terugbetalen van de lening?
  • Biedt u de BV voldoende zekerheden?
  • Hebt u met de BV een zakelijke rente afgesproken?
  • Kan de BV aan haar verplichtingen blijven voldoen als u de lening opneemt?
  • Zou de BV de lening ook onder dezelfde voorwaarden hebben verstrekt aan een derde die in vergelijkbare omstandigheden verkeert?

Stel dat een bank u geen lening zou verstrekken vanwege uw inkomenssituatie, maar u verstrekt zichzelf wel een lening vanuit de BV dan zou de belastingdienst zich op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van onzakelijk handelen.

Ook kunt u bij uw stamrecht BV een aflossingsvrije lening afsluiten. De stamrecht BV heeft dan minder zekerheid dat de lening wordt terugbetaald. De BV zal, net als een bank, aanvullende zekerheden vragen. U kunt ervoor kiezen om de lening aan het eind van de looptijd in één keer terug te betalen. Als u dat afspreekt met uw stamrecht BV, hebt u een aflossingsvrije lening. Doordat u de lening pas aan het eind van de looptijd terugbetaalt, heeft de stamrecht BV minder zekerheid dan wanneer de lening in termijnen wordt terugbetaald. Het is daarom zakelijk om aanvullende voorwaarden op te nemen.

Gebruikelijke aanvullende voorwaarden:

  • U betaalt de rente in termijnen.
  • Het rentetarief is hoger dan de marktrente voor leningen die u in termijnen terugbetaalt.
  • De waarde van de zekerheid is hoger dan bij een lening die u in termijnen terugbetaalt.

Verstrekt u namens de stamrecht BV een lening welke bijvoorbeeld de hypotheek op uw woonhuis vervangt in dat geval verlangt de belastingdienst dat u een hypotheekakte inschrijft op het onderpand. U kunt dit in de meeste gevallen ook achteraf laten vestigen.

Het risico wat u loopt bij onzakelijk handelen is dat de fiscus de lening beschouwt als inkomsten. In de meeste gevallen leidt een dergelijk geschil tot extra belastingheffing indien u onzakelijk handelt. De reden hiervan is dat u feitelijk de beschikking hebt over het geld van uw stamrecht BV dat is bestemd voor uw pensioen, stamrecht of lijfrente. Er wordt dan verondersteld dat dit een afkoop van één van deze onderdelen is waardoor de complete regeling direct belast wordt en daar bovenop kan dan zogeheten revisierente verschuldigd zijn.

Overigens kunt u ook besluiten een zogenaamde rekening-courant met uw stamrecht BV aan te houden. De behandeling hiervan is (fiscaal) anders dan van een lening.

Heeft u twijfels of uw stamrecht BV voldoet aan de regels welke de belastingdienst stelt kunt u ons gerust om advies vragen. Een quickscan is kosteloos en vrijblijvend. Ook kunnen wij u helpen bij het opstellen van een leningovereenkomst of het inschrijven van een hypotheekakte. Wij hanteren vaste lage tarieven.

Heeft u nog vragen naar aanleiding van onze dienstverlening dan vernemen wij deze graag! Bel of mail ons op 0168-327702 / info@cournot.nl.

Met vriendelijke groet,

Auteur mr. drs. J. (Julian) Langkemper LL.M RB

 

Sinds 2009 is er een groep belastingplichtigen die een steeds lagere algemene heffingskorting krijgt uitbetaald. Het gaat om gezinssituaties waarbij bijvoorbeeld de man (laten we hem Frans noemen) inkomen heeft en de vrouw (Gerda) niet of een beperkt inkomen heeft waarbij ze niet haar recht op heffingskortingen zelf kan benutten. Gerda heeft dan recht op de zogenaamde “aanrechtsubsidie”; uitbetaling van de algemene heffingskorting op voorwaarde dat Frans voldoende belasting betaald. De uitbetaling  wordt in 15 jaar afgebouwd en zal in 2024 nihil bedragen. In 2015 kan nog slechts 53,33% van de heffingskorting uitbetaald worden. In het jaar 2015 kan dan bijvoorbeeld het nadeel ten aanzien van de algemene heffingskorting € 949 netto bedragen. Overigens geldt deze beperking alleen voor belastingplichtigen zonder inkomen of met weinig inkomen die zijn geboren ná 31 december 1962.

Frans bezit 100% van de aandelen in een B.V. en heeft een positieve winstreserve. Fiscaal gezien is Frans in de mogelijkheid om dividend uit te keren aan zichzelf. De laatste jaren was er geen noodzaak om dit toe doen, omdat het inkomen uit loondienstverband toereikend is. Inmiddels is er een uitkeerbare winstreserve van € 60.000. Indien Frans besluit om in 2015 nog een dividenduitkering te doen vanuit de B.V. van bijvoorbeeld € 10.000 kunnen zij deze inkomsten aan Gerda toebedelen. Box 2 inkomen mag tussen fiscale partners onderling verdeeld worden. Hierdoor heeft Gerda zelf fiscaal inkomen en is de verlaging van de algemene heffingskorting niet van toepassing. Het netto belastingvoordeel  bedraagt € 949. Dat is snel verdiend!

koffertje U heeft vanaf heden nog enkele weken gelegenheid om in 2014 gebruik te maken van de stimuleringsmaatregel van de overheid om uw stamrechtverplichting met 20% korting af te kopen.

Er zijn een aantal redenen om in 2014 WEL gebruik te maken van de kortingsregeling.

Administratieve verplichtingen
Een deel van de stamrechtgerechtigden vindt het jaarlijkse beheer van de vennootschap een belasting. Door de afkoopregeling zien zij de mogelijkheid op een fiscaal gunstige manier zich van die jaarlijkse verplichting te ontdoen. De financiële consequenties zijn van ondergeschikt belang. Herkent u zich hierin, meld u dan hier aan voor advies.

Fiscaal voordelig?
Voor een groep stamrechtgerechtigden is het om het even wanneer de stamrechtuitkeringen fiscaal het beste genoten kunnen worden. Zij hebben door andere loon- of pensioeninkomsten bijvoorbeeld al een bepaald inkomen in box 1 waarbij het inkomen in de hoogste belastingschijf belast is, zelfs na aftrek van hypotheekrente en overige aftrekposten die het box 1 inkomen verminderen. Voor 2014 is dat van toepassing als het belastbare inkomen in box 1 hoger is dan € 56.531. Afhankelijk van een aantal factoren kan een afweging worden gemaakt of afkoop van de stamrechtvoorziening en het opheffen van de stamrecht B.V. voordeliger is.

Fiscale aandachtspunten bij deze berekening zijn:
– Tariefschijf belastbaarheid bij afkoop in 2014 versus beoogde uitkeringsjaren in de toekomst;
– Al dan niet aanwezig zijn van box 3 vermogen;
– Uw eventuele plannen met het vrijvallende vermogen (schenken, hypotheek inlossen);
– Het rendement wat behaald wordt in de stamrecht B.V.;
– Eventuele hypotheek of lening tussen u zelf en uw B.V.;
– Het al dan niet aanwezig zijn van negatieve winstreserves in de stamrecht B.V.;
– Het rendement wat na eventuele afkoop wordt behaald in box 3;
– De jaarlijkse instandhoudingskosten van uw stamrecht B.V.;
– Het verwachte belastbare inkomen in box 1 na pensioengerechtigde leeftijd;
– Uw belastbare inkomen in box 1 in 2014;
– Het effect op de grondslag voor de Zorgverzekeringswet (Zvw).

Het maximum bijdrage-inkomen voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) 2014 is € 51.414. Indien u van de afkoopmogelijkheid gebruik maakt kunt u daarmee 5,4% premie Zvw besparen. Dit voordeel treedt op als u zonder de inkomsten van het afgekochte stamrecht niet het maximum bijdrage-inkomen geniet.

Afkoop stamrechtverplichting niet voordelig
Aan de hand van de balans van uw stamrecht B.V. kunnen wij al snel beoordelen of afkoop van de stamrechtvoorziening interessant voor u is. Indien u bijvoorbeeld verliezen heeft geleden door beleggingen en u daardoor nog slechts 50% van de stamrechtvoorziening aan activa op de balans heeft staan, dan is de afkoopregeling voor u meestal niet fiscaal voordelig. U dient namelijk uit te gaan van de fiscale waardering van de stamrechtverplichting op de balans. De negatieve winstreserves mag u niet salderen. In dergelijke situaties is het verstandiger om in overleg met uw adviseur een optimale uitkeringsduur te berekenen en de stamrechtuitkering in te laten gaan of sneller te laten uitkeren. Op het moment dat de vennootschap geen activa meer heeft is het wel geoorloofd om het saldo van de stemrechtvoorziening te laten vrijvallen. U bent de loonheffing die over het restant van de stamrechtvoorziening afgedragen had moeten worden dan niet meer verschuldigd. De voorziening valt vrij binnen de stamrecht B.V.

Het rendement binnen de vennootschap wordt mede bepaald door de instanhoudingskosten. Vanaf € 350 exclusief btw verzorgen wij het complete jaarwerk. Vraag nu online een offerte op maat.

Wilt u een vrijblijvend advies of afkoop van uw stamrecht B.V. u een belastingbesparing oplevert? Vraag een vrijblijvend en kosteloos adviesgesprek aan en meld u hier aan.

mr. drs. J. Langkemper LL.M. RB

S.W.L. Hasselman RBc