Nieuws en blog


Heeft u te maken met een erfenis en wenst u te weten of u voorkomt in het testament? U kunt zich dan melden bij de notaris die betrokken is bij de afwikkeling van de erfenis. Is de notaris niet bekend; in principe kunt u deze informatie bij elke notaris in Nederland verkrijgen. Ieder testament is namelijk opgenomen in een centraal register.

De notaris stuurt alleen een kopie van het testament aan mensen die genoemd staan in het testament. Stel dat u een legaat (een specifiek bedrag of doel) krijgt dan ontvangt u uitsluitend de tekst die betrekking heeft op uw deel, samen met het deel van de tekst uit het testament waaruit blijkt wie tot executeur is benoemd.

Ook de mensen die erfgenaam zouden zijn geweest wanner er geen testament zou zijn opgemaakt hebben recht op inzage. Ook zij hebben dan recht op inzage in de passage uit het testament waaruit blijkt dat ze zijn onterfd.

Bent u erfgenaam dan heeft u vanzelfsprekend recht op inzage van het gehele testament.

Sinds september 2016 heeft de overheid een subsidiepot beschikbaar gesteld voor het isoleren van uw dak, gevel, spouwmuur, vloer en glas. Minimaal 2 isolatiemaatregelen dient u uit te voeren om in aanmerking te komen voor deze subsidie. Bovenop deze maatregelen kunt u daarnaast ook in aanmerking voor extra subsidie komen voor bijvoorbeeld een douche met warmteterugwinning. De regeling heeft ‘Subsidieregeling energiebesparing’ en is digitaal aan te vragen via de website van RVO.

Deze regeling is interessant indien u verbouwingsplannen hebt en sowieso enkele zaken wenst aan te pakken die uw woongenot verhogen. De initiële besparing op de isolatiewerkzaamheden bedragen circa 20%. Het financiële voordeel na toepassing van de maatregelen werkt dan ook meteen door in uw energienota, ieder jaar weer. De maximale subsidie bedraagt € 20.000.

De materialen die u wenst toe te passen dienen te voldoen aan een aantal minimale isolatiewaardes. Voor dak, vloer en geval is dit een Rd-waarde van tenminste 3,5. Voor een spouwmaar een Rd-waarde van minstens 1,1 voor HR++ glas een U-waarde van maximaal 1,2 en voor triple glas een U-waarde van maximaal 0,8.

Naast de aantrekkelijke subsidieregeling komt u in aanmerking voor het lage BTW-tarief voor isoleren van woningen. Dit geldt uitsluitend voor de arbeid die u inhuurt. Voor de materialen is het tarief van 21% van toepassing.

Wenst u de isolatie te financieren dan kan dit middels de aantrekkelijke energiebespaarlening die vanuit het Nationaal Energiebespaarfonds wordt gevoed. U kunt tegen een aantrekkelijke rente tot € 25.000 lenen en in maximaal 15 jaar aflossen.

De conclusie is dat het toepassen van energiebesparende maatregelen een win-win is. U draagt op deze wijze een steentje bij aan het verminderen van CO2-uitstoot en zorgt voor lagere financiële lasten. Ook creëert u waarde in uw woning.

Meer informatie of hulp bij het aanvragen van deze lening? info@cournot.nl

 

Het CBS heeft becijferd dat de uitkeringen uit erfenissen in 2014 ten opzichte van 2011 met 11% is gedaald.

In 2014 lieten overledenen gemiddeld € 19.600 na. Dat is ruim € 2.000 minder dan in 2011. Vooral de dalende huizenprijzen tijdens de crisis zijn debet aan deze afname. Circa 1/3 van de erflaters liet een koopwoning na. Gemiddeld was deze woning € 136.000 waard. Deze waarde ligt onder de waarde van de gemiddelde waarde van een koopwoning in Nederland. Een reden hiervoor is dat ouderen over het algemeen kleiner en goedkoper wonen op latere leeftijd. Meer dan 60% van deze woningen van de overledenen had nog een hypotheek op deze woning.

Volgens het CBS is het onroerend goed het belangrijkste bestanddeel van de overledene. De verwachting is dat de welvaartsoverdracht tussen generaties verder zal afnemen. Jongere generaties zullen steeds minder ontvangen terwijl het nu toe zo is dat iedere generatie rijker was dan de generatie ervoor. Deze trendbreuk tekent zich nu ook daadwerkelijk af.

Op basis van deze berichtgeving zou je vermoeden dat de inkomsten van de rijksoverheid voor erf- en schenkbelasting ook teruglopen. Dit is niet het geval. Ieder jaar na 2011 nemen de inkomsten toe. Gemiddeld is de netto erfenis na belastingheffing hierdoor lager. Niet alleen de bruto erfenis is lager, maar ook de uiteindelijke bedragen na aftrek van belastingen zorgen voor een lagere opbrengst.

beach houseWhen buying a home you can consider to hire a real estate expert. We buy weekly houses and apartments for our clients. Also we work with fixed affordable rates and we will work with you to your dream house purchase! Buying a home or apartment is not for everyone a daily activity. Someone moves on average once every seven years. Even stronger, move ends invariably in the top 3 of most stressful moments in a lifetime. It can, for example, uncertainty about the structural condition or a good negotiating strategy. Typically a moment where emotion can get the upper hand above the ratio. It is a given that there will be not the best result in a stressful emotional situation. Then it is wiser to hire a professional. If you have nerves of steel and knowledge of the housing market than it is of course possible to itself the purchase to take care of your property. You can then just like us an enthusiastic feel at the time that a purchase continues! The purpose of the (houses-) copper is, of course, a pleasant home for the lowest possible purchase price with as much as possible security. For example, certainty about “hidden defects”, the right price and legal consequences of the purchase. Many people choose therefore for guidance of a real estate agent. This represents the importance of the buyer; say but a lot extra security!

Save money on your purchase

Why would you hire us to buy your house or apartment in the Netherlands? We work on the basis of no cure no pay. This is as simple as it is effective, after all, you only pay for this service if there is a positive performance. No home purchased for any reason then you don’t own us no cost. At a fixed fee from € 1,150 euros including VAT, you can count on the following advantages of our purchase guidance:

  • We work independently of the seller
  • No emotional attachment with the House
  • Possibility to building inspection
  • Guidance from A to Z pay
  • No cure no pay, no purchase no cost of our real estate service
  • Expert and experienced
  • Ability to mortgage advice through 1 point
  • Legal check of the property purchase agreement is prepared by us or
  • We make objection to the WOZ value
  • We strive for the best outcome of making the best purchase price is made
  • We work nationwide in the Netherlands. Offices in Amsterdam, The Hague and Hilversum.

Basic package

Enhanced package

Top package

⍟ Quickscan valuation property ⍟ Quickscan valuation property  ⍟ Quickscan valuation property
⍟ Second viewing ⍟ Second viewing ⍟ Second viewing
⍟ Discuss purchase strategy ⍟ Discuss purchase strategy ⍟ Discuss purchase strategy
⍟ Research position seller ⍟ Research position seller ⍟ Research position seller
⍟ Legal check property ⍟ Legal check property ⍟ Legal check property
⍟ Conduct negotiation ⍟ Conduct negotiation ⍟ Conduct negotiation
⍟ Edit contract of sale ⍟ Accompany and arranging building inspection ⍟ Accompany and arranging building inspection
⍟ Final check notary documents ⍟ Edit contract of sale ⍟ Edit contract of sale
⍟ No cure no pay ⍟ Final check notary documents ⍟ Accompany during signing contract of sale
⍟ Accompany during the final inspection ⍟ Final check notary documents
⍟ Accompany at the notary at transfer date ⍟ Accompany during the final inspection
⍟ No cure no pay ⍟ Accompany at the notary at transfer date
⍟ Valuation with NWW validation
⍟ No cure no pay
EUR 1.150 VAT included EUR 2.175 VAT included EUR 2.775 VAT included
payable at transfer date at the notary

BTW-plichtige ondernemers herinneren wij er nog graag aan dat de btw op reis-en verblijfkosten en representatiekosten niet teruggevorderd kunnen worden, het gaat dan bijvoorbeeld om zakenlunches. De btw vormt in dat geval mede een kostenpost.

Vanaf 2017 wordt de teruggaafregeling btw over oninbare debiteuren vereenvoudigd. Er hoeft niet meer apart om deze btw teruggaaf worden verzocht. Er wordt een “oninbaarheids  vermoeden” ingesteld indien er gedurende tenminste één  jaar niet wordt betaald door de debiteur. De btw mag dan onder het onderdeel vooraftrek in mindering worden gebracht.

Voor investeringen boven de € 2200,- per jaar kunt u gebruik maken van een investeringsaftrek tot maximaal 28%. Het kan hiervoor handig zijn bepaalde investeringen te bundelen.

In verband met heffingskortingen en belastingtarief kan het voordelig zijn uw partner een meewerkbeloning te verschaffen. Wij rekenen het eventueel te behalen voordeel graag voor u uit.

Uw relatiemanagers zijn u graag van dienst bij deze en andere adviesvragen.

Normaliter is de gangbare praktijk dat de uitkeringen vanuit een stamrechtvoorziening vallen binnen de huwelijksgemeenschap indien de uitkeringen zijn gestart voorafgaand aan de beëindiging van het huwelijk. Zijn de uitkeringen niet gestart, dan valt het stamrechtkapitaal buiten het huwelijk.

In de casus die is voorgelegd aan de Hoge Raad speelt het volgende. Man en de vrouw zijn met elkaar in 1974 gehuwd in algemene gemeenschap van goederen. Op 25 maart 2005 dient de vrouw bij de rechtbank het verzoek in om te scheiden van haar man. In 2007 wordt de man ontslagen en krijgt hij recht op een ontslagvergoeding van circa€ 282.000,- bruto. Dit bedrag wordt ondergebracht in de stamrecht-bv van de man, waarvan de man enig aandeelhouder en bestuurder is; diens aandelen vallen in de huwelijksgoederengemeenschap. Op grond van de stamrechtovereenkomst maakt de man aanspraak op periodieke uitkeringen die strekken tot vervanging van inkomsten.

In 2013 verzoekt de vrouw een echtscheiding en daarbij de verdeling van de goederengemeenschap. Er ontstaat tussen partijen een discussie over de vraag of de ontslagvergoeding, zoals deze is ondergebracht in de stamrecht BV, onderdeel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap. Volgens de vrouw is dat het geval; volgens de man is dit niet het geval en zijn de aanspraken op periodieke uitkeringen op een bijzondere wijze aan uitsluitend hem verkocht (art. 1:94 lid 3 BW) en vallen zij hierdoor buiten de gemeenschap.

De rechtbank heeft het stamrecht kapitaal geheel aan de man toebedeeld. Het hof heeft dat eveneens gedaan omdat enkel de gelden die vóór ontbinding van het huwelijk zijn uitgekeerd in de huwelijksgemeenschap vallen en de man tot dat moment nog geen periodieke uitkering had ontvangen. De vrouw is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.

In cassatie klaagt de vrouw over het oordeel van het hof dat de gelden die eerst tot uitkering komen na de ontbinding van de gemeenschap aan de man zijn verknocht en dat, nu vaststaat dat de man nog geen enkele periodieke uitkering uit de stamrecht-bv heeft ontvangen, zij daarop geen aanspraak kan maken.

De Hoge Raad acht – net zoals A-G Langemeijer – de klacht gegrond en stelt daartoe voorop dat uitgangspunt in cassatie is dat de beëindigingsvergoeding dient om toekomstig gederfd inkomen van de man te vervangen (rov. 3.3.2). Vervolgens beantwoordt de Hoge Raad de vraag of deze aanspraak van de man verknocht is als bedoeld in art. 1:94 lid 3 BW (rov. 3.3.3). In dat verband is vaste rechtspraak dat de verknochtheid van een goed afhangt van de aard van dat goed, waarbij maatschappelijke opvattingen van belang zijn.

Daarop verwijst de Hoge Raad naar een arrest uit 2008, waarin het ging om een ontslagvergoeding, waarvan het bedrag door de werkgever was gestort onder een verzekeringsmaatschappij (HR 17 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9080, NJ 2009/41). In die zaak werd geoordeeld dat uit een stamrechtverzekering voortvloeiende aanspraken van vóór de ontbinding in de huwelijksgemeenschap vallen en nadien ontstane aanspraken erbuiten. Deze later ontstane aanspraken strekken immers tot vervanging van het inkomen dat de echtgenoot bij voortzetting van de dienstbetrekking zou hebben genoten en in dat geval zou de aanspraak op voor nog te verrichten arbeid te ontvangen loon evenmin in de gemeenschap zijn gevallen. De Hoge Raad overweegt voorts dat deze regel ook geldt wanneer een ontslagvergoeding is ingebracht in een – door de werknemer opgericht en beheerste – stamrecht-bv, ondanks dat de echtgenoot in dat geval zelf het tijdstip en de hoogte van de periodieke uitkeringen kan bepalen. De Hoge Raad acht de strekking van de uitkering (die gelijk is bij storting onder een verzekeringsmaatschappij als onder een stamrecht-bv) daartoe doorslaggevend.

Gelet op het voorgaande overweegt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte van belang heeft geacht dat de man nog geen enkele periodieke uitkering uit de stamrecht-bv had ontvangen (rov. 3.3.4). Het hof had daarentegen moeten onderzoeken in hoeverre de aanspraak van de man jegens de stamrecht-bv zag op de periode vóór of na ontbinding van het huwelijk.

De Hoge Raad verwijst de zaak naar het Hof Amsterdam, waar deze vraag alsnog aan de orde zal worden gesteld.

De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de zaak behandeld van een gewezen werknemer vanwege de belastbaarheid van een aanvullende ontslagvergoeding. In 2013 heeft deze meneer een ontslagvergoeding ontvangen die onder de toenmalige stamrechtvrijstelling viel. In 2014 heeft hij tijdens een gerechtelijke procedure een aanvullende ontslagvergoeding toegewezen gekregen vanwege kennelijk onredelijk ontslag.

De vraag is of deze aanvullende ontslagvergoeding valt onder de stamrechtvrijstelling uit 2013 en dus ook onbelast verstrekt mocht worden. De rechtbank heeft beslist dat dit niet het geval is. De redenatie hiervoor is dat de aanvullende ontslagvergoeding na 1 januari 2014 is ontvangen, na afschaffing van de stamrechtvrijstelling. Er wordt geen koppeling gemaakt tussen de eerder, wel onbelaste vergoeding, gemaakt uit 2013.

De uitspraak leest u hier :

ECLI:NL:RBZWB:2016:3032, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, BRE – 15 _ 1165

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.Op 13 oktober 2014 heeft de ex-werkgeefster van belanghebbende, [A BV], gevestigd te [plaats X] (hierna: de ex-werkgeefster), een (aanvullende) ontslagvergoeding aan belanghebbende uitbetaald onder inhouding van loonheffing op basis van de tabel bijzondere beloningen.

1.2.Belanghebbende heeft bij brief van 30 oktober 2014 bezwaar gemaakt tegen de in 1.1 vermelde inhouding van loonheffing. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 januari 2015 de inhouding gehandhaafd.

1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij fax van 27 februari 2015 beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend, welke telkens in afschrift zijn verstrekt aan de wederpartij.

1.6.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Maastricht, en namens de inspecteur, [verweerder].

1.7.De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift bij deze uitspraak is gevoegd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.De arbeidsovereenkomst tussen de ex-werkgeefster en belanghebbende is per [datum] 2013 formeel ontbonden, maar feitelijk per direct beëindigd op [datum] 2013. Belanghebbende heeft in mei 2013 een ontslagvergoeding ontvangen van € 154.955 bruto die met goedkeuring van de Belastingdienst met toepassing van de stamrechtvrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) en dus zonder inhouding van loonbelasting is gestort in [B BV] (hierna: de stamrecht-BV).

2.2.Het verzoek aan de inspecteur om te bevestigen dat de stamrechtvrijstelling van toepassing was op de ontslagvergoeding van € 154.955, is gedaan bij brief van 4 april 2013. De inspecteur heeft nadere informatie gevraagd die belanghebbende heeft verstrekt bij brief van 25 april 2013. In die brief heeft belanghebbende ook aan de inspecteur gemeld dat hij voornemens was om, nadat het bedrag van de ontslagvergoeding was uitbetaald, een procedure wegens kennelijk onredelijk ontslag tegen de ex-werkgeefster op te starten. In die procedure is bij vonnis van 21 augustus 2014 door kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant onder meer een aanvullende ontslagvergoeding toegekend van € 305.000 bruto (hierna ook: de aanvullende ontslagvergoeding). Belanghebbende heeft de inspecteur vervolgens bij brief van 28 augustus 2014 verzocht te bevestigen dat ook op dit bedrag de stamrechtvrijstelling van toepassing was, omdat de betaling voortvloeide uit het ontslag in 2013. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen. De ex-werkgeefster heeft de aanvullende ontslagvergoeding op 13 oktober 2014, onder inhouding van € 158.600 loonheffing, overgemaakt naar een bankrekening van de stamrecht‑BV.

2.3.De civiele kamer van Hof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 1 september 2015 de aanvullende ontslagvergoeding verminderd tot € 271.494,69.

3 Geschil

3.1.Tussen partijen is in geschil of terecht loonheffing is ingehouden bij de uitbetaling van de aanvullende ontslagvergoeding. Meer specifiek richt het geschil zich op de vraag of de stamrechtvrijstelling moet worden toegepast.

3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken.

3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en teruggaaf van € 158.600 aan loonheffing. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.Op grond van artikel 10 van de Wet LB is, voor zover van belang, loon al hetgeen uit een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking wordt genoten. Tot het loon behoren aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde één of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen. De stamrechtvrijstelling van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel g van de Wet LB, op grond waarvan, onder voorwaarden, aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon niet tot het loon behoorden, is vervallen per 1 januari 2014 (Belastingplan 2014, Stb. 2013, 565, artikel V, onderdeel B).

4.2.

Bij het vervallen van de stamrechtvrijstelling is in artikel 39f, eerste lid van de Wet LB de volgende overgangsregeling opgenomen (Belastingplan 2014, Stb. 2013, 565, artikel V, onderdeel I):

“Met betrekking tot op 31 december 2013 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als bedoeld in de artikelen 11, eerste lid, onderdeel g, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, en daarmee gelijkgestelde bedragen als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, zoals dat op 31 december 2013 luidde, blijven de artikelen 10, vijfde lid, onderdelen b en c, 11, eerste lid, onderdeel g, en vierde lid, 11a, 19b, achtste lid, 32bb, zesde en achtste lid, en 37, zoals die op 31 december 2013 luidden, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, van toepassing.”

4.3.

In de Nota naar aanleiding van het verslag van 21 oktober 2013 bij het Belastingplan 2014 wordt over het begrip ‘bestaande aanspraken’ het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2013/14, 33752, nr. 11, p. 51):

“Voor de kwalificatie als een bestaande aanspraak is van belang of de aanspraak reeds op 31 december 2013 voldoende bepaald is en aan de wettelijke voorwaarden voor de toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) voldoet. De datum waarop het ontslag plaatsvindt is derhalve niet de beslissende factor. In het algemeen zal pas worden overgegaan tot de toekenning van een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon als het ontslag vaststaat. Op dat moment zal in beginsel ook de storting van de koopsom plaatsvinden.”

4.4.

In een brief van de staatssecretaris van Financiën van 8 november 2013 wordt het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2013/14, 33752, nr. 21, p. 4):

“Diverse leden hebben verzocht om de voorwaarden die ik in het wetgevingsoverleg genoemd heb voor de afbakening van een op 31 december 2013 bestaand stamrecht ook in een brief uiteen te zetten. Ten eerste is het essentieel dat de aard en omvang van de vrijgestelde stamrechtaanspraak op 31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar is. Dit betekent dat vóór 1 januari 2014 een stamrechtovereenkomst getekend dient te zijn. Hieruit moet blijken dat de ex-werkgeefster aan zijn werknemer een aanspraak toekent op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon. De periodieke uitkeringen mogen niet later ingaan dan in het jaar waarin de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Dit is conform de wettelijke regeling voor de stamrechtvrijstelling. Ten tweede dient uit die overeenkomst tevens te blijken dat het bedrag ter financiering van de aanspraak bij een in de wet aangewezen aanbieder wordt ondergebracht. En ten derde dient op 31 december 2013 de ontslagdatum vast te staan. Dit betekent niet dat de ontslagdatum in 2013 gelegen dient te zijn. Het ontslag moet wel aangezegd zijn vóór 1 januari 2014 en binnen een korte termijn uitgevoerd worden. Van een korte termijn is in ieder geval sprake als het gaat om de wettelijke opzegtermijn (met een maximum van 6 maanden). (…) Aanspraken die aan deze drie voorwaarden voldoen komen in aanmerking voor de toepassing van het overgangsrecht voor de stamrechtvrijstelling.”

4.5.

Voorts heeft de staatssecretaris van Financiën tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Belastingplan 2014 in de Eerste Kamer het volgende opgemerkt (Handelingen I 2013/14, 17 december 2013, nr. 14, item 2, p. 15):

“Voor het overgangsrecht is het ten eerste essentieel dat de aard en de omvang voor de vrijgestelde stamrechtaanspraak op 31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar zijn. Dus dat betekent dat de vaststellingsovereenkomst getekend moet zijn. Uit die vaststellingsovereenkomst moet blijken dat de ontslaguitkering aangewend wordt voor een stamrecht en dat de financiering van de aanspraak bij een in de wet aangewezen aanbieder wordt ondergebracht.”

4.6.De rechtbank zal eerst beoordelen of de aanvullende ontslagvergoeding is genoten in 2013 of in 2014. Indien de vergoeding is genoten in 2013, is niet in geschil dat de stamrechtvrijstelling kan worden toegepast. Artikel 13a Wet LB bepaalt dat loon wordt beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het (a) betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel (b) vorderbaar en tevens inbaar wordt. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de aanvullende ontslaguitkering geen genietingsmoment in 2013 aan te wijzen. Dat belanghebbende recht had op een aanvullende ontslagvergoeding en tot welk bedrag, is immers pas in 2014 bij rechterlijke uitspraak komen vast te staan.

4.7.Nu de stamrechtvrijstelling per 1 januari 2014 is afgeschaft, kan deze derhalve alleen nog worden toegepast op de aanvullende ontslagvergoeding indien de in 4.2 bedoelde overgangsregeling van toepassing is. Dat is het geval indien belanghebbende tot het bedrag van de aanvullende ontslagvergoeding op 31 december 2013 een aanspraak had op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon. Nu er op 31 december 2013 geen uitspraak was in de door belanghebbende bij de kantonrechter gestarte procedure tegen, noch overeenstemming met de ex-werkgeefster over de aanvullende ontslaguitkering, had belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank op die datum nog geen aanspraak op de aanvullende ontslagvergoeding en daarmee evenmin op periodieke uitkeringen ter vervanging daarvan.

4.8.Aan hetgeen in 4.7 is overwogen doet niet af dat belanghebbende in 2013 het voornemen tot het starten van een kennelijk onredelijke ontslagprocedure bekend had gemaakt, nu deze procedure pas daadwerkelijk is gestart op 24 februari 2014, de datum van de dagvaarding. Belanghebbende heeft in 2013 zelfs geen vordering bij de ex-werkgeefster neergelegd die zou kunnen resulteren in een periodieke uitkering. Aan hetgeen in 4.7 is overwogen doet evenmin af dat de door de civiele rechter van het Hof toegekende ontslagvergoeding (zie 2.2 en 2.3) is berekend op basis van gederfd en te derven loon en de hoogte daarvan dus in 2013 naar objectief recht bepaalbaar was. Dat kan niet tot de conclusie leiden dat op 31 december 2013 reeds een aanspraak als bedoeld in de overgangsregeling bestond. Uit de in 4.3 tot en met 4.5 weergegeven wetsgeschiedenis valt niet af te leiden dat de wetgever een ruimere uitleg van de overgangsregeling heeft beoogd dan uit de tekst voortvloeit.

4.9.Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat de stamrechtvrijstelling niet van toepassing is. Terecht is daarom op de uitkering van de aanvullende ontslagvergoeding loonheffing ingehouden.

4.10.Belanghebbende heeft voor dat geval betoogd dat sprake is van een onredelijke en onbillijke uitkomst, nu de aanvullende ontslagvergoeding voortvloeit uit het ontslag in 2013. Dat betoog kan hem niet baten. In artikel 11 van de Wet van 1829, Stb. 28, houdende Algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, is voorgeschreven dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet mag beoordelen. Voorts kent de fiscale wetgeving geen bepaling zoals de civielrechtelijke wetgeving (artikel 6:2 BW) op grond waarvan een wettelijke regel buiten toepassing blijft voor zover toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Voor de door belanghebbende bepleite reflexwerking bestaat geen grondslag. De rechtbank is dan ook niet bevoegd een juiste wetstoepassing op grond van de redelijkheid en billijkheid achterwege te laten. Dat ligt anders indien de wet in strijd zou zijn met enig internationaal verdrag waaraan Nederland zich heeft verbonden, maar niet is gesteld noch is de rechtbank gebleken dat van dit laatste in het onderhavige geval sprake is.

4.11.Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 20 mei 2016 door mr. M.R.T. Pauwels, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. M.W.C. Soltysik, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.A. Riemens, griffier.

echtscheidingHebt u besloten om te gaan scheiden, in dat geval kunnen wij u juridisch ondersteunen bij het afwikkelen van uw echtscheiding. Wij kunnen de echtscheiding begeleiden indien u samen tot een oplossing wenst te komen. Wij helpen u bij het maken van de juiste keuzes op fiscaal, vermogensrechtelijk en financieel gebied. Bij een echtscheiding komen alle financiële onderwerpen aan de orde; simpelweg omdat u over bijna ieder onderwerp afspraken dient te maken. Deze afspraken worden vastgelegd in een zogenaamd echtscheidingsconvenant. Onderstaand treft u uitleg aan over onze werkwijze.

Kennismaking

Tijdens het eerste kosteloze kennismakingsgesprek nemen wij samen met u de procedure van het echtscheidingstraject door en geven u informatie over de verwachte doorlooptijden van het proces. De kosten van de werkzaamheden hangen af van uw persoonlijke situatie. De tijd die wij investeren in het kennismakingsgesprek is voor onze rekening. Onderstaand leest u de meest gestelde vragen tijdens dit gesprek :

  • Wie blijft in de woning wonen?
  • Waar gaan de kinderen wonen?
  • Wat wordt het inkomen na scheiding?
  • Wat kost een echtscheiding?

Inventariseren

In de tweede fase van de echtscheiding gaat uw scheidingsbemiddelaar inventariseren. Hij of zij zal u allerlei vragen stellen, wat nodig is om de scheiding goed te kunnen regelen. Afhankelijk van uw persoonlijke situatie is er veel informatie nodig.

  • Inkomen uit loondienst of onderneming?
  • Een hypotheek of huurwoning?
  • Gehuwd of geregistreerd partner?
  • Verdeling van vermogen en goederen?

Analyseren en adviseren

In de derde fase van de echtscheiding gaat de bemiddelaar de gegevens analyseren. Er wordt advies verstrekt op basis van de wensen van beide partners. Per vakgebied kunnen er deskundigen worden ingeschakeld. Hij of zij bespreekt het advies, stemt jullie wensen op elkaar af en stuurt bij waar nodig. Daarnaast toetst de bemiddelaar uw verzoeken aan de wetgeving, redelijkheid en billijkheid.

  • Vermogensoverzicht & boedelverdeling
  • Fiscaliteiten
  • Alimentatie
  • Ouderschapsplan
  • Echtscheidingsconvenant

Rechtbank of Notaris

In de vierde fase van de echtscheiding wordt alles op papier gezet en stuurt onze administratie de documenten naar de advocaat, die ze indient bij de rechtbank. Bij samenwonenden stuurt uw bemiddelaar de stukken naar de notaris.

  • Stukken naar advocaat
  • Rechter doet uitspraak
  • Notaris legt afspraken vast

Inschrijving gemeentelijke registers

In de vijfde fase gaat het om de inschrijving van gemeentelijke registers. Na de rechtbankuitspraak is de echtscheiding namelijk pas definitief als deze is ingeschreven in de gemeentelijke basis administratie. De advocaat stuurt de rechtbank beschikking naar de gemeente.

  • Advocaat stuurt stukken naar gemeente
  • Banken/verzekeraars eisen inschrijvingsbewijs

Nazorg

Onze taak als scheidingsbemiddelaar eindigt niet nadat de scheiding is ingeschreven. In de laatste fase van de scheiding draait het dan ook om de nazorg en evaluatie. Zaken worden voor beide partners afgehandeld.

  • Informeren banken, verzekeraars en pensioenfonds
  • Evaluatie scheidingsproces

Ook kunnen onze financieel adviseurs het hoofdelijk ontslag van de hypotheek regelen. Formeel heet dit ‘ontslag hoofdelijke aansprakelijkheid hypotheek’. Hiermee regelt u dat de vertrekkende partner niet meer aangesproken kan worden door de bank voor betalingsachterstanden. Dit is een belangrijk onderdeel van het proces omdat u vaak als vertrekkende partner geen weet meer hebt of invloed hebt op betalingen rondom de hypotheek.

Bij voorkeur spreken wij vaste betaalbare tarieven af voor het compleet regelen van uw echtscheiding. Wij stellen afhankelijk van uw wensen een pakket samen waar binnen alle onderdelen van de echtscheiding worden geoffreerd.

Wij werken landelijk en bezoeken u ook in de avonduren. Liever afspreken op één van onze kantoren? Dat kan natuurlijk ook. Wij zijn gevestigd in Amsterdam, Drunen, Hilversum, Wassenaar en Zevenbergen. Bij interesse neemt u dan contact op met : info@cournot.nl of ons landelijk telefoonnummer 0168-327702.

 

Bij het verliezen van een dierbare komt er veel op u af om te regelen. Vaak ontstaan deze gebeurtenissen plotsklaps en wordt u overvallen door emoties. Wij kunnen u bijstaan bij het afhandelen van diverse administratieve zaken rondom het overlijden van uw dierbaren. In sommige gevallen is hier een overheidsinstantie bij betrokken die u actief zelf dient te informeren conform wetgeving. Hierbij kunt u denken aan de volgende zaken.

Is er een testament?

Voor veel mensen is het lastig om vooraf te bespreken wat er moet gebeuren bij een eventueel overlijden. Overleg samen welke zaken je zelf al hebt geregeld en wat je wensen zijn. Is er een uitvaartverzekering aanwezig, een testament opgesteld, wie krijgt de voogdij over de kinderen et cetera?

Met een testament wijs je zelf je erfgenamen aan en bepaal je wie welk deel krijgt. Via het centraal testamentenregister vraag je deze op. Een notaris maakt een Verklaring van Erfrecht op. Deze verklaring kunt u nodig hebben om toegang te krijgen tot bankrekeningen van de overledene of om documenten te wijzigen die op naam van de overledene staan.

Meld een overlijden bij de gemeente

Met behulp van Verklaring van overlijden van de arts kunt u de Akte van overlijden bij de gemeente aanvragen. U kunt dit zelf doen maar ook overlaten aan de uitvaartverzorger. De gemeente verwerkt dit in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA), die ook melding maakt van overlijden bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB), het UWV en de Belastingdienst. Deze overheidsdiensten worden dan automatisch van het overlijden op de hoogte gesteld.

Informeer pensioeninstantie van de overledene

Breng pensioeninstantie van de overledene op de hoogte en vraag een eventueel nabestaandenpensioen aan. Controleer ook of er een partnerpensioen is via pensioenkijker.nl of mijnpensioenoverzicht.nl.

Vraag een ANW-uitkering/Weduwepensioen aan

De SVB stuurt automatisch bericht aan weduwen, weduwnaren en partners met geregistreerd partnerschap als zij in aanmerking komen voor de Algemene Nabestaandenwet (zgn. ANW-uitkering). Stellen die samenwonen moeten zelf een aanvraag indienen.

Heb je recht op toeslagen?

Als uw partner komt te overlijden, verandert er vaak het nodige in het inkomen. Vaak wordt het inkomen lager en is het verstandig opnieuw te kijken of u recht hebt op bepaalde regelingen via berekenuwrecht.nl. Ontving de overledene de toeslag op zijn naam? Dan zet de Belastingdienst de toeslag stop en moet u dit opnieuw aanvragen.

Vraag een wezenuitkering aan

Kinderen tot 16 jaar kunnen een wezenuitkering ANW krijgen als ze geen ouders meer hebben. Een kind krijgt alleen een wezenuitkering als de ouder die het laatst overleden is, verzekerd was voor de ANW. Een ouder was verzekerd als hij of zij in Nederland woonde of werkte. Ook kinderen van 16 tot 21 kunnen een wezenuitkering krijgen. Daarvoor moeten ze aan extra voorwaarden voldoen.

Neem contact op met de hypotheekverstrekker bij een eigen woning

Bij het afsluiten van de hypotheek wordt vaak een overlijdensrisicoverzekering afgesloten. Bij overlijden kan de nabestaande dan met (een deel van) dat geld de hypotheek aflossen. Vaak stelt dat hem of haar in staat in de woning te blijven wonen. Neem hiervoor contact op met uw hypotheekverstrekker. Ook wij kunnen uw hypotheek onder de loep nemen en tevens beoordelen of er besparingsmogelijkheden zijn. Meld ook aan het Kadaster dat de hypotheekinschrijving op uw naam moet komen te staan.

Erven van een woning

Indien u een woning erft dient u in sommige gevallen een aangifte erfbelasting in  te dienen. De grondslag voor de waarde van de te erven woning is de WOZ-waarde. Wij kunnen deze aangifte verzorgen en eventueel de WOZ-waarde laten corrigeren indien blijkt dat deze te hoog is.

Informeer verzekeringen en andere instanties

Bij overlijden moeten allerlei instanties op de hoogte worden gesteld om een eventuele overeenkomst te beëindigen of aan te passen. De tenaamstelling moet worden aangepast als rekeningen hetzelfde blijven. Sommige worden automatisch doorgegeven, bijvoorbeeld door de gemeenten aan de SVB, UWV en Belastingdienst.Denk aan:- Belastingdienst (Inkomstenbelasting en Toeslagen)- Gemeente- Uitkeringsinstanties- Werkgever en pensioenfonds-Verzekeringsmaatschappijen (denk aan diverse polissen zoals inboedel, aansprakelijkheidsverzekering etc.)- Bank, creditcardmaatschappijen, beleggingsinstellingen- Hypotheekverstrekker of woningcorporatie- Verenigingen, scholen- Energiebedrijf, telefoonmaatschappij, goede doelen- Abonnementen tijdschriften, kranten

Lijfrenteverzekeringen / bankspaarrekening

Indien er lopende lijfrenteverzekeringen afgesloten zijn door de overledene dan is sommige gevallen recht op periodieke uitkering. Wij kunnen u helpen dit te onderzoeken.

Voor meer hulp bij de afhandeling van deze zaken, waaronder belastingzaken, helpen wij u graag verder. Voor meer informatie : info@cournot.nl of 0168-327702. Wij werken landelijk en een bezoek aan huis behoort ook tot de mogelijkheden.

actiebuttonDe rekening-courant of lening aan de dga van uw BV is een speerpunt in de jaarlijkse controle door de belastingdienst in 2016.

Heeft uw BV geld uitgeleend aan uzelf in de vorm van een hypotheek of onderhandse lening? Net als bij een bank dient de lening op enig moment terugbetaald te worden en dient de lening aan zakelijke voorwaarden te voldoen.

Wanneer is er dan sprake van onzakelijk handelen? Volgens de belastingdienst en vaste rechtspraak op dit punt is dit het geval indien de lening niet aan zakelijke voorwaarden voldoet en indien u zich niet aan de betalingsafspraken houdt.

De lening dient dus te voldoen aan zakelijke voorwaarden welke ook aan een derde gesteld zouden worden die in vergelijkbare omstandigheden verkeert. Wij raden u dan ook aan om deze voorwaarden vast te leggen in een leningovereenkomst. Op deze wijze kunt u hierdoor latere misverstanden voorkomen. Hieronder sommen wij een aantal zaken op waaraan getoetst dient te worden :

  • Is de lening schriftelijk vastgelegd in een leningsovereenkomst?
  • Hebt u met de BV afspraken gemaakt over terugbetalen van de lening?
  • Biedt u de BV voldoende zekerheden?
  • Hebt u met de BV een zakelijke rente afgesproken?
  • Kan de BV aan haar verplichtingen blijven voldoen als u de lening opneemt?
  • Zou de BV de lening ook onder dezelfde voorwaarden hebben verstrekt aan een derde die in vergelijkbare omstandigheden verkeert?

Stel dat een bank u geen lening zou verstrekken vanwege uw inkomenssituatie, maar u verstrekt zichzelf wel een lening vanuit de BV dan zou de belastingdienst zich op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van onzakelijk handelen.

Ook kunt u bij uw stamrecht BV een aflossingsvrije lening afsluiten. De stamrecht BV heeft dan minder zekerheid dat de lening wordt terugbetaald. De BV zal, net als een bank, aanvullende zekerheden vragen. U kunt ervoor kiezen om de lening aan het eind van de looptijd in één keer terug te betalen. Als u dat afspreekt met uw stamrecht BV, hebt u een aflossingsvrije lening. Doordat u de lening pas aan het eind van de looptijd terugbetaalt, heeft de stamrecht BV minder zekerheid dan wanneer de lening in termijnen wordt terugbetaald. Het is daarom zakelijk om aanvullende voorwaarden op te nemen.

Gebruikelijke aanvullende voorwaarden:

  • U betaalt de rente in termijnen.
  • Het rentetarief is hoger dan de marktrente voor leningen die u in termijnen terugbetaalt.
  • De waarde van de zekerheid is hoger dan bij een lening die u in termijnen terugbetaalt.

Verstrekt u namens de stamrecht BV een lening welke bijvoorbeeld de hypotheek op uw woonhuis vervangt in dat geval verlangt de belastingdienst dat u een hypotheekakte inschrijft op het onderpand. U kunt dit in de meeste gevallen ook achteraf laten vestigen.

Het risico wat u loopt bij onzakelijk handelen is dat de fiscus de lening beschouwt als inkomsten. In de meeste gevallen leidt een dergelijk geschil tot extra belastingheffing indien u onzakelijk handelt. De reden hiervan is dat u feitelijk de beschikking hebt over het geld van uw stamrecht BV dat is bestemd voor uw pensioen, stamrecht of lijfrente. Er wordt dan verondersteld dat dit een afkoop van één van deze onderdelen is waardoor de complete regeling direct belast wordt en daar bovenop kan dan zogeheten revisierente verschuldigd zijn.

Overigens kunt u ook besluiten een zogenaamde rekening-courant met uw stamrecht BV aan te houden. De behandeling hiervan is (fiscaal) anders dan van een lening.

Heeft u twijfels of uw stamrecht BV voldoet aan de regels welke de belastingdienst stelt kunt u ons gerust om advies vragen. Een quickscan is kosteloos en vrijblijvend. Ook kunnen wij u helpen bij het opstellen van een leningovereenkomst of het inschrijven van een hypotheekakte. Wij hanteren vaste lage tarieven.

Heeft u nog vragen naar aanleiding van onze dienstverlening dan vernemen wij deze graag! Bel of mail ons op 0168-327702 / info@cournot.nl.

Met vriendelijke groet,

Auteur mr. drs. J. (Julian) Langkemper LL.M RB